Regelmatig hoor je van studenten tijdens hun stage de bijna wanhopige vraag wat hun levensbeschouwelijke identiteit en hun theologische bagage betekenen in het contact met cliënten en in het geheel van hun werk. ‘Heb ik een boodschap voor cliënten of medewerkers?’ ‘Mag ik mijn overtuiging en achtergrond een rol laten spelen?’ ‘Mensen zitten niet op mij te wachten, of hebben geen vraag op religieus vlak: wat moet ik dan?’ Je moet leren om theorie en praktijk op elkaar af te stemmen, waarbij de praktijk altijd diffuser en complexer is dan verwacht. Daarnaast gaat het om de vraag wat de betekenis is van theologie of humanistiek voor de praktijk van geestelijke verzorging. Is die betekenis er, en zo ja, hoe ziet die er dan uit? Het is een vraag die veel – ook ervaren – geestelijk verzorgers moeilijk te beantwoorden vinden. Dit nummer benadert die vraag vanuit verschillende perspectieven.